‘HET VOELT EIGENLIJK WEL GOED!’
 
Met een glimlach staat ze in het midden van de kamer, bijna bedolven onder de stapel van kussens, stenen en het stoeltje in haar armen.
 

Een paar minuten daarvoor was ze er nog stil van, toen deze stapel op de grond alle zorgvuldig door haar verborgen kleuren representeerden. Een prachtige rijkdom aan kleuren die niet gezien mocht worden. Vóór en achter haar twee verschillende werelden.

Het inzicht dat zij aan beide kanten uit verbinding was met zichzelf. Het kwam aan en daalde in.

En nu staat ze met een tot aan haar neus opgestapelde berg in haar armen. ‘Het voelt eigenlijk wel goed’, hoor ik haar zeggen. Haar ogen staan nu zacht inderdaad en ik zie hoe haar hand liefdevol het zwarte kussen streelt.

Het zwarte kussen dat net nog symbool stond voor de manier waarop ze zichzelf verliet. Ze voelde verdriet toen we er samen naar keken. Nu piepen haar glinsterende ogen nog net boven de kussens uit. Het doet haar zichtbaar goed, deze eerder verborgen delen nu zo nabij.

‘Kun je jezelf zo aan je moeder laten zien?’ vraag ik. Het was een belangrijke beweging voor haar, altijd alleen erkend en bevestigd voor lief en gehoorzaam gedrag. Langzaam draait ze zich richting het kussen dat tijdelijk haar moeder is.

‘Kwetsbaarheid! Dat moet er ook nog bij’. Zorgvuldig plaats ik het beeld dat ik ooit maakte van moeder en kind aan haar voeten. ‘Ja dat is fijn’. Ik vind het mooi dat ze kan voelen dat er kwetsbaarheid in deze beweging schuilt.

Plots schiet ze in de lach. ‘De stapel is gewoon te hoog! Ik kan haar niet eens zien’. Even voel ik de impuls om te helpen maar dan hou ik me in. Hoe voelt dat? Is het erg?’ vraag ik. ‘Nee… het klopt’, zegt ze.

En ze weet, het waren haar eigen armen die al het verborgene te omarmen hadden.

Dan is het stil. Een rijke stilte gevuld met voelen. ‘Wat een mooi inzicht’, zegt ze en zorgvuldig legt ze alles terug op de grond. Ze knikt. Dankbaar. Op tafel masseer ik haar traag. Onder mijn handen voel ik het: de opluchting. Een diepe zucht, ruimte..

Als ik weer alleen ben kom ik tot vertraging. Wat was het mooi… en herkenbaar… Ik zet het beeld terug op zijn plek en fluister zachtjes… ‘en ik ook’.

Terug