Humor als harnas
We zitten tegenover elkaar en maken kennis. Ze vertelt over zichzelf, over haar leven, haar werk en haar geschiedenis. Terwijl ik luister, hoor ik haar wijsheid. En tegelijk raak ik de kluts kwijt. Op elke waardevolle zin volgt een grap, hard en naar binnen gericht.
Alsof ze zichzelf alvast onderuit haalt voordat een ander dat zou kunnen doen…
Ik merk hoe verdrietig ik word als ik zie hoe waardevolle zinnen worden weggelachen en kleiner worden gemaakt. En ik weet: wanneer het hier zo gebeurt, gebeurt het haar vaker. Ik spiegel wat ik zie. Ze knikt, herkent, beaamt. Heel even verzacht haar blik. Dan, nog voor het echt kan landen, is daar weer een grap. En nog één. Allemaal ten koste van haarzelf.
Ik nodig haar uit om op de tafel te komen. Terwijl ze gaat liggen, voel ik verwarring door de verschillende signalen. Iets in mij heeft veel eerbied voor deze vrouw en voor haar overlevingsmechanisme.
Dan vult mijn lichaam zich met aandacht en afstemming. Ik vertraag, laat mijn handen eerst rusten en stem af. Ik luister en wacht tot haar adem mij ontmoet.
Bij de eerste aanraking schrikt haar lichaam. Het is klein en duidelijk tegelijk. Haar lach verdwijnt. Haar lichaam vertelt een ander verhaal. Een verhaal van alertheid, van waakzaamheid voor wat komt.
Ik blijf waar ik ben en verander niets. Mijn handen verzachten en blijven. Het tempo blijft laag. Het lichaam krijgt de tijd om te voelen dat het veilig is om te blijven. Langzaam laat ze zich iets meer dragen door de tafel. Haar adem beweegt onregelmatig en vindt dan weer diepte. Ik volg, blijf afstemmen en beweeg pas wanneer het lichaam daar zelf om vraagt.
Pas later, wanneer er voldoende rust is ontstaan, ontmoet ik de plek waar haar verhaal zich vasthoudt. Laag. Links. Diep. Daar dient zich iets aan dat geen woorden nodig heeft. Een klein meisje. Een oude pijn. Iets dat al heel lang waakzaam is geweest.
De humor is stilgevallen. Haar lichaam spreekt.
